Uber-chauffeurs geen werknemers: Hof Amsterdam draait eerdere uitspraak terug
ECLI:NL:GHAMS:2026:163
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 21 januari 2026 een streep gezet door het eerdere vonnis van de rechtbank: Uber-chauffeurs werken niet per definitie op basis van een arbeidsovereenkomst. De kern van de uitspraak? Het ondernemerschap van chauffeurs kan zó zwaar wegen dat dit de balans doet doorslaan naar zelfstandigheid.
Waar ging deze zaak over?
De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) stelde dat alle Uber-chauffeurs werknemers zijn en daarom recht hebben op toepassing van de CAO Zorgvervoer en Taxi (inclusief nabetalingen, wettelijke verhogingen en schadevergoeding).
De rechtbank ging daarin mee. Het hof niet.
Het juridisch kader: Deliveroo + prejudiciële vragen
Het hof baseert zich op het bekende Deliveroo-arrest van de Hoge Raad, waarin negen gezichtspunten zijn geformuleerd om te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Nieuw in deze zaak is dat het hof prejudiciële vragen stelde aan de Hoge Raad, met name over:
-
de rol van ondernemerschap bij de kwalificatievraag;
-
de mogelijkheid om in één procedure een algemeen oordeel te geven over grote groepen werkenden.
De Hoge Raad maakte in februari 2025 duidelijk:
- Ondernemerschap is geen bijzaak, maar één van de relevante omstandigheden, die - afhankelijk van de feiten - doorslaggevend kan zijn.
- Als individuele omstandigheden sterk uiteenlopen, kan geen algemeen oordeel worden gegeven.
Waarom zijn deze Uber-chauffeurs ondernemers?
Het hof zoomt uitvoerig in op de positie van een groep concreet betrokken chauffeurs (“de Chauffeurs”). Hun ondernemerschap blijkt onder meer uit:
-
substantiële investeringen, vooral in (dure) auto’s;
-
vrijheid om werktijden en ritten te kiezen;
-
gebruik van meerdere platforms en eigen klanten;
-
strategisch gedrag (weigeren van onrendabele ritten);
-
financieel risico bij schade, ziekte en tegenvallende omzet;
-
gebruik van ondernemersregelingen (Tozo, TVL, fiscale faciliteiten);
-
eigen boekhouder, verzekeringen en acquisitie.
Volgens het hof wegen deze elementen zó zwaar, dat – ondanks aanwijzingen die ook op werknemerschap kunnen duiden – geen arbeidsovereenkomst kan worden aangenomen.
En de andere chauffeurs dan?
Het hof sluit niet uit dat sommige individuele chauffeurs wél werknemer zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld als zij:
-
vrijwel exclusief voor Uber werken,
-
structureel economisch afhankelijk zijn,
-
geen wezenlijk ondernemerschap tonen.
Maar:
- de eisende partij had hierover te weinig concrete en actuele gegevens aangeleverd;
- de omstandigheden van chauffeurs lopen te sterk uiteen;
- voorgestelde grenzen (zoals “meer dan 15 uur per week ingelogd”) zijn arbitrair en onvoldoende onderbouwd.
Gevolg: het hof kan geen afgebakende groep aanwijzen die als werknemer kwalificeert.
Gevolgen van de uitspraak
-
Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd
-
Alle vorderingen (cao-toepassing, loon, schadevergoeding) worden afgewezen
-
Geen algemeen oordeel mogelijk over Uber-chauffeurs als werknemers
Waarom is dit belangrijk?
Deze uitspraak bevestigt dat bij platformarbeid:
-
geen automatische kwalificatie als arbeidsovereenkomst geldt;
-
feitelijk ondernemerschap doorslaggevend kan zijn;
-
collectieve acties stranden als individuele verschillen te groot zijn.
Voor platformbedrijven, zzp’ers én beleidsmakers onderstreept dit arrest dat de arbeidsrechtelijke kwalificatie maatwerk blijft.
Reactie plaatsen
Reacties