Overtollige liquiditeiten in de eenmanszaak: wanneer valt het vermogen in box 3?

 

Ondernemers houden vaak een aanzienlijk bedrag aan op hun zakelijke bankrekening. Dat kan verstandig zijn: een financiële buffer kan nodig zijn voor de dagelijkse bedrijfsvoering, toekomstige investeringen of het opvangen van tegenvallers. Maar wanneer het bedrag structureel hoger is dan wat zakelijk nodig is, kan een deel van de liquiditeiten fiscaal worden aangemerkt als duurzaam overtollig. In dat geval behoort dit deel niet langer tot het ondernemingsvermogen, maar tot het privévermogen en valt het in box 3.

Een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag laat zien dat dit ook bij een eenmanszaak tot een aanzienlijke correctie kan leiden.

Niet iedere euro op de zakelijke rekening is ondernemingsvermogen

Voor een IB-ondernemer geldt dat hij in beginsel een zekere vrijheid heeft om liquide middelen tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Die vrijheid kent echter grenzen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden die grenzen overschreden wanneer liquide middelen duurzaam overtollig zijn en geen enkele functie meer vervullen binnen de onderneming. In dat geval moeten zij tot het privévermogen worden gerekend. Dit volgt uit de vermogensetiketteringsregels en niet uit een afzonderlijke wettelijke bepaling die specifiek over ‘overtollige liquiditeiten’ gaat.

Daarbij is van belang dat niet alleen geld dat direct nodig is voor de lopende bedrijfsvoering als ondernemingsvermogen kan kwalificeren. Ook liquide middelen die worden aangehouden voor bijvoorbeeld toekomstige investeringen, het opvangen van ondernemingsrisico’s, het vormen of instandhouden van reserves of het verstevigen van de onderneming kunnen tot het ondernemingsvermogen behoren. De aard en omvang van de onderneming spelen hierbij een belangrijke rol.

Het enkele feit dat een ondernemer een bedrag nog niet heeft uitgegeven, betekent dus niet dat dit automatisch overtollig is. De vraag is vooral welke zakelijke functie het geld heeft.

Recente uitspraak: € 286.051 naar box 3

In een recente zaak bij Rechtbank Den Haag dreef een belastingplichtige een advies- en consultancyonderneming in de vorm van een eenmanszaak. De onderneming beschikte over € 451.050 aan bank- en spaartegoeden.

De rechtbank accepteerde slechts € 165.000 als ondernemingsvermogen. Dit bedrag hield onder meer verband met een fiscale oudedagsreserve, een bedrijfsauto en zonnepanelen. Het resterende bedrag van € 286.051 werd aangemerkt als duurzaam overtollige liquiditeiten en moest daarom in box 3 worden opgenomen.

De ondernemer had daarnaast plannen voor het verwerven van kantoorruimte. Die plannen waren volgens de rechtbank echter onvoldoende concreet onderbouwd. Mede gezien de omvang van de onderneming en de omzet was daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de beschikbare liquide middelen een zakelijke functie hadden.

Deze uitspraak laat zien dat een algemene verwijzing naar toekomstige plannen niet zonder meer voldoende is. Wanneer een ondernemer een aanzienlijk bedrag op de zakelijke rekening aanhoudt met het oog op een toekomstige investering, is het verstandig om de zakelijke bestemming daarvan concreet te kunnen onderbouwen.

Hoe bepaalt u wat overtollig is?

Er bestaat geen algemene wettelijke formule waarmee kan worden bepaald hoeveel liquide middelen een ondernemer maximaal zakelijk mag aanhouden. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval.

Denk daarbij bijvoorbeeld aan:

  • de omvang en aard van de onderneming;
  • de reguliere bedrijfsuitgaven;
  • concrete toekomstige investeringen;
  • de omvang en aard van ondernemingsrisico’s;
  • noodzakelijke financiële reserves;
  • de financieringsbehoefte van de onderneming;
  • de mate waarin een voorgenomen investering daadwerkelijk concreet is.

Een conjunctuurgevoelige onderneming kan bijvoorbeeld een grotere financiële buffer nodig hebben dan een onderneming met stabiele inkomsten en beperkte risico’s. Ook kunnen gelden die daadwerkelijk bestemd zijn voor een concrete toekomstige investering tot het ondernemingsvermogen behoren.

Daar staat tegenover dat een groot saldo dat structureel wordt aangehouden zonder duidelijke zakelijke bestemming, eerder als duurzaam overtollig kan worden aangemerkt.

Wat betekent dit voor de inkomstenbelasting?

Wanneer liquiditeiten duurzaam overtollig zijn, behoren zij niet tot het ondernemingsvermogen maar tot het privévermogen. Daarmee komen deze middelen in de privésfeer terecht en kunnen zij worden belast in box 3. De fiscale gevolgen kunnen daardoor aanzienlijk zijn wanneer een ondernemer jarenlang een groot bedrag op de zakelijke rekening aanhoudt zonder dat daarvoor een zakelijke functie aannemelijk kan worden gemaakt.

Ook voor ondernemers is een periodieke beoordeling verstandig

Voor ondernemers met een substantieel banksaldo is het daarom verstandig om niet alleen naar de hoogte van het saldo te kijken, maar vooral naar de zakelijke bestemming van het vermogen.

Een ondernemer die bijvoorbeeld € 300.000 op een zakelijke rekening heeft staan en binnen afzienbare tijd € 250.000 nodig heeft voor een concrete bedrijfsovername of investering, bevindt zich fiscaal in een andere positie dan een ondernemer die hetzelfde bedrag al jarenlang aanhoudt zonder concreet bestedingsplan.

Een goede vastlegging van de zakelijke motieven kan daarbij van belang zijn. Denk bijvoorbeeld aan een investeringsplan, begroting, offertes, financieringsdocumentatie of andere stukken waaruit blijkt waarvoor de liquiditeiten binnen de onderneming nodig zijn.

Niet het feit dat het geld op een zakelijke bankrekening staat, maar de functie die het geld binnen de onderneming vervult, is bepalend. Als een deel duurzaam overtollig is, kan dit deel verplicht tot het privévermogen behoren en daarmee in box 3 vallen.

Wij adviseren ondernemers met substantiële liquide middelen daarom om de zakelijke onderbouwing van deze reserves goed vast te leggen en regelmatig opnieuw te beoordelen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.